Stemming (besluitvorming)

From Systems analysis Wiki
Jump to navigation Jump to search

Stemming — een van de basismechanismen voor collectieve besluitvorming, waarmee deelnemers (beslissers) hun individuele voorkeuren ten aanzien van een reeks alternatieven tot uitdrukking brengen. Op basis van de aggregatie van deze individuele voorkeuren wordt een gezamenlijk, collectief besluit gevormd.

Stemming wordt toegepast in situaties waarin:

  • één of meerdere alternatieven uit een gegeven verzameling moeten worden gekozen;
  • meerdere personen (een groep, collectief of organisatie) deelnemen aan de besluitvorming;
  • naleving vereist is van een procedure die eerlijkheid, transparantie en onderbouwdheid van de keuze waarborgt.

Wezen van de stemming

Stemming is een proces van geformaliseerde uitdrukking van de individuele verhouding tot de keuzemogelijkheden. Deelnemers aan de stemming (kiezers, deskundigen, groepsleden) geven hun mening in een vastgestelde vorm: door het kiezen van één of meerdere opties, het rangschikken ervan of het toekennen van een beoordeling.

Het resultaat van de stemming wordt bepaald door een bepaalde procedure voor de aggregatie van individuele stemmen tot een collectief besluit. De concrete procedure hangt af van de gebruikte stemmingsregel.

Vormen van stemming

Er bestaan vele manieren om een stemming te organiseren, die verschillen in de vorm van uitdrukking van voorkeuren:

  • Eenvoudige (majoritaire) stemming — elke deelnemer kiest één alternatief; degene die de meeste stemmen heeft behaald, wint.
  • Cumulatief stemmen — een deelnemer kan meerdere stemmen verdelen over verschillende opties.
  • Rangorde stemming — deelnemers ordenen de opties op volgorde van voorkeur.
  • Goedkeuringstemming (approval voting) — deelnemers kunnen een willekeurig aantal opties goedkeuren; de meest goedgekeurde optie wint.
  • Afwijzingsstemming (disapproval voting) — alternatieven die door de meerderheid worden afgewezen, worden geregistreerd.

Aggregatie van voorkeuren

De aggregatie van individuele voorkeuren tot een groepsbesluit kan worden uitgevoerd met behulp van verschillende stemmingsregels, elk met eigen eigenschappen, voordelen en beperkingen. Voorbeelden van dergelijke regels:

  • de regel van de gewone meerderheid;
  • de regel van de relatieve meerderheid;
  • de regel van Borda (op basis van rangorden);
  • de regel van Condorcet (de optie die wint in paarsgewijze vergelijkingen);
  • de regel van Copeland, Nanson, en anderen.

De keuze van de stemmingsregel is doorslaggevend voor het resultaat en kan bij dezelfde individuele voorkeuren tot verschillende uitkomsten leiden.

Problemen bij stemming

  • Stemmingsprocedures zijn vatbaar voor een aantal bekende paradoxen en tegenstrijdigheden die de beperkingen van formele aggregatie van voorkeuren weerspiegelen:
  • De paradox van Condorcet — een situatie waarin collectieve voorkeuren cyclisch blijken te zijn (A heeft de voorkeur boven B, B boven C, maar C heeft de voorkeur boven A), ondanks transitieve individuele voorkeuren.
  • De paradox van de stemmende dictator — bij bepaalde regels kan één van de deelnemers feitelijk het resultaat bepalen.
  • De onmogelijkheid van eerlijke aggregatie (stelling van Arrow) — de onmogelijkheid om een universele stemmingsregel te creëren die tegelijkertijd voldoet aan een aantal redelijke voorwaarden (transitiviteit, onafhankelijkheid van irrelevante alternatieven, afwezigheid van dictatuur, enz.).

Rol van stemming in de besluitvormingstheorie

Binnen de besluitvormingstheorie wordt stemming beschouwd als:

  • een instrument voor collectieve keuze, waarmee het afstemmingsproces binnen een groep kan worden geformaliseerd;
  • een procedure voor aggregatie van voorkeuren, die de structuur van de collectieve mening weerspiegelt;
  • een mechanisme voor het vinden van een compromis, met name in omstandigheden van conflicterende belangen.